| Jean-Luc door Jean-Luc |
terug |
| Ik ben geboren op 7 augustus 1940
in Montpellier in het zuiden van Frankrijk. Ik ben dus een
oorlogskind maar… met zaad van voor de oorlog !!! Mijn
moeder, Andrée Verstraete, was mijn vader, Albert Dehaene
die als arts gemobiliseerd was, gevolgd. Mijn vader was neuro-psychiater.
Hij is een van pioniers van de moderne psychiatrie. Mijn moeder
was huisvrouw. |
|
 |
VAN KWAJONGEN TOT UNIVERSITEITSSTUDENT
Mijn jeugd bracht ik tot mijn dertiende in Brugge
door. Op school was ik eerder van het kwajongen-type. Veel studeren
zat er niet in.
In het eerste jaar van de humaniora had ik het zo bont gemaakt dat
ik het buitenvliegen anticipeerde met een verzoek op internaat te
mogen. Mijn keuze viel op de Jezuïeten in Aalst (omdat ik wist
dat daar nogal wat West-Vlamingen zaten). Die keuze heb ik mij nooit
beklaagd.
Op het einde van humaniora in 1958 wist ik niet welke richting uitgaan.
Zeker geen geneeskunde en zeker geen pastoor want zo hadden we er
genoeg in de familie.
Dan maar rechten. Daarmee kun je immers alle kanten uit. Opnieuw koos ik voor
de Jezuïeten, ditmaal in Namen. Rechtstreeks van het internaat naar de ‘vrijheid’ van
Leuven zou ik wellicht niet overleefd hebben. In Namen ontdekte ik ook de economie,
die mij eigenlijk meer boeide dan de rechten. Ik volgde voortaan de twee.
In 1960 belandde ik dan in Leuven. In 1963 was ik Doctor in de rechten. Ondertussen
was in 1961 mijn vader overleden. Ik was 21 jaar, mijn jongste broer 4 jaar.
Ik heb enorme bewondering voor mijn moeder die als jonge weduwe zeven kinderen
grootbracht en hen alle maximale kansen gaf.
Op het einde van mijn studies wist ik opnieuw niet goed welke richting uit te gaan.
Ik dacht er vaagweg aan mij enkele jaren in ontwikkelingslanden te engageren,
vooral om aan de legerdienst te ontsnappen (uiteindelijk ontsnapte ik er toch
aan als oudste van zeven). Maar Celie met wie ik al 3 jaar een relatie had, zag dat niet
zitten.
 |
|
Celie kende ik al van
in de kleuterschool. We woonden in dezelfde straat. Haar ouders
brachten ons vaak met de auto naar school. Na de kleuterschool
verloren we elkaar uit het oog. We vonden elkaar terug op ‘de
groene poorte’, het vakantiespeelplein waar ik jeugdleider
was en Celie de administratie deed. Van het een kwam het ander.
We hadden vijf jaar ‘kennis’ vooraleer we in 1965
trouwden. |
DE ECHTE UNIVERSITEIT VAN MIJN LEVEN
| Zoals later in mijn loopbaan meer
zou gebeuren kwam op het einde van mijn universitaire studies
plots een voorstel uit de lucht gevallen. Mijn oom, die verbondsaalmoezenier
van het VVKS (Vlaams Verbond van Katholieke Scouts) vroeg of
het mij interesseerde Verbondscommissaris te worden. Dat
heb ik dan vier jaar gedaan, van 1963 tot 1967. Het is |
|
 |
een unieke vormingsschool geworden, mijn universiteit
van het leven. Als jonge
man van 23 sta je plots aan het hoofd van een jeugdbeweging van 30.000
(toen nog) man met een middenkader dat vaak ouder was dan ik. Het
was ook een bedrijf met een winkelketen en immobiliënmaatschappij
die kampeergronden beheerde. Ik leerde er leiding geven, in ploeg
werken, mensen motiveren, plannen, vernieuwen, overtuigen.
De job was onbezoldigd; daarom werkte ik half time op het studiecentrum voor
de expansie van de haven van Antwerpen onder leiding van de latere VEV-boss Rene
de Feyter. In 1965 trouwde ik met Celie en moest ik een steviger economische
basis krijgen. Fernand Nédée, de latere stichter van de UIA, was toen voorzitter
van de verbondsraad (soort parlement) van het VVKS en zowat mijn mentor. Hij
suggereerde dat ik op een studiedienst zou gaan werken. Hij vroeg wat ik verkoos
het VKW of het ACW. Ik aarzelde geen seconde en zo kwam ik terecht in de studiedienst
van het ACW onder leiding van Herman De Leeck, de grote specialist inzake sociale
zekerheid. Het was een kleine dienst (5 man) zodat we van alles wat moesten kennen.
Dat is achteraf in de politiek een grote troef gebleken. Ik werd nooit een specialist
maar had wel een basiskennis in heel veel domeinen van het maatschappelijke leven.
KENNISMAKING MET HET ‘WONDERBUREAU’
Ik combineerde de studiedienst nog twee jaar
met de scouts. Op het einde van mijn mandaat bij de scouts werd
ik door
de CVP-jongeren
aangesproken. Zonder ooit lid te zijn geweest, werd ik gecoöpteerd
als lid van het nationale bureau onder leiding van de nieuwe voorzitter
Wilfried Martens. Die kende ik enkel van reputatie. Dit bleek later
een ‘wonderbureau’ (met onder meerfiguren als Miet
Smet, Georges Monard, Jan Huygebaert,
Rita Jolie, Ward Bosmans). We zouden vier jaar stevig aan de boom
van het gevestigde
denken schudden met onder meer de manifesten ‘Autonomie’,
'Progressieve Frontvorming’ en ‘Gemeenschapsschool’.
Voorwaar een boeiende periode en een formidabele politieke leerschool.
1971-1981 MEDEWERKER MINISTERIELE KABINETTEN
In 1971, na 4 jaar voorzitterschap, was Wilfried
Martens einde mandaat. Enkele maanden later zou hij tot voorzitter
van de partij worden verkozen. Iedereen beschouwde mij als zijn natuurlijke
opvolger als jongerenvoorzitter. Ik legde dit voor aan Willy D’Havé,
de voorzitter van het ACW. Deze had mij gedurende vier jaar vaak
moeten verdedigen binnen de beweging omdat onze ideeën niet
altijd ACW-conform waren. Ditmaal was het
antwoord dat ik moest kiezen. Ook nu was de keuze snel gemaakt. Ik
werd geen voorzitter en bleef het ACW trouw. Deze loyaliteit ligt
wellicht mee aan de basis voor het grote vertrouwen dat ik binnen
de beweging steeds heb genoten.
Begin 1972 stelde het ACW voor dat ik als verbindingsman voor de beweging naar
het kabinet van Jos De Saeger zou gaan. In principe bleef ik hoofd van de studiedienst,
zodat ik een terugvalpositie had. Bij de Saeger heb ik geleerd een kabinet
te runnen en hoe je binnen een regering je plannen doordrukt. Ik was als het
ware minister van Buitenlandse Zaken van het kabinet aangezien ik de dossiers
voor de ministerraad en de ministeriële comités voorbereidde. Ik
hield me dus met alles bezig uitgezonderd met de dossiers van het kabinet.


 |
|
Ik
zou 10 jaar in de kabinetten door brengen. Eerst bij de De
Saeger op respectievelijk Openbare Werken en Volksgezondheid.
Daarna 3 jaar op Economische Zaken onder Andre Oleffe en
Fernand Herman. Daar werd ik ook kabinetschef. Dat bleef
ik bij Rika de Backer op Vlaamse aangelegenheden.
Na 7 jaar
was ik perfect voorbereid om kabinetschef van Eerste Minister
Martens te worden waar ik belast was met het dossier van
de staatshervorming dat sinds het mislukken van het Egmontpact
de politieke agenda domineerde. Na veel vallen en opstaan,
en het vermijden van de vele valstrikken die vaak door onze
eigen partij werden gelegd, konden we de staatshervorming
van 1980 doordrukken. De institutionele discussies namen
ons zo in beslag dat de staatsfinanciën en de economie totaal
werden verwaarloosd en dit in een periode waar de oliecrisis
onze economie frontaal raakte.
In 1981 nam Martens spectaculair ontslag uit protest tegen de weigering
van de socialisten om ernstig te saneren. Eyskens volgde hem op en ik werd
kabinetschef van Jos Chabert, de ‘chef de file’ van de CVP
en het ACW. |
1981-1988 MINISTER SOCIALE ZAKEN EN INSTITUTIONELE HERVORMINGEN
| Na de voor de
CVP catastrofale verkiezingen van 1981 nam Martens het roer
opnieuw in handen en vormde een regering met de liberalen
die de crisis ten gronde zou aanpakken. Dat was voor het
ACW een moeilijke operatie. Ze hadden dus een ‘sterke’ man
in de regering nodig. Dat moest Rik Kuylen worden. Deze kreeg
echter negatief advies van zijn dokter en ik moest in eerste
linie komen. Ik kreeg meteen de zware |
|
 |
post van Sociale Zaken gecombineerd met Institutionele
Hervormingen. Het werd een periode van grote beslissingen: de devaluatie,
de begrotingssanering, het staaldossier, de plaatsing van de kruisraketten.
Als minister van Sociale zaken stond ik permanent in de branding.
Gelukkig kon ik rekenen op de steun en de feedback van de leiding
van de beweging met wie ik regelmatig rond de tafel zat maar nooit
in Poupehan….
 |
|
In
1985 kregen we de steun van de kiezers om verder te gaan.
Verhofstadt kwam in de regering. Zijn verbetenheid verpestte
de sfeer in de regering. We strandden uiteindelijk na 2 jaar
in 1987 op Happart en Voeren. Gelukkig konden we nog een
verklaring tot herziening van de grondwet doen goedkeuren
waarin de deur werd opengezet voor de communautarisering
van het onderwijs.
|
Waar de partij hoopte het beleid te kunnen verderzetten
met de liberalen onder leiding van Wilfried Martens (wat onder meer
bleek uit het afsluiten van het
akkoord voor de Vlaamse regering de avond van de verkiezingen zelf), draaide
anders uit. Er bleek hiertoe geen voldoende meerderheid en zeker niet om de verdere
staatshervorming door te voeren.
1988-1992 VICE EERSTE
MINISTER EN MINISTER VAN VERKEER EN INSTITUTIONELE HERVORMINGEN
| De situatie was
compleet geblokkeerd. De socialisten wilden immers niet in
de federale regering zonder ook in de Vlaamse te zitten.
Na enkele mislukte pogingen werd ik door de koning belast
met een informatieopdracht. Het werden de fameuze 100 dagen.
Op het einde hadden we een akkoord over een verregaande bevoegdheidsoverdracht
en een financieringssysteem. Op mijn aandringen, |
|
 |
ondersteund door de koning en partijvoorzitter Frank Swaelen,
werd Wilfried Martens Eerste Minister om de continuïteit van het economische
beleid te garanderen. Ikzelf werd Vice Eerste Minister en minister van Verkeer
en van Institutionele Hervormingen (die laatste functie zou ik uiteindelijk 10
jaar bekleden).
De regering voerde de staatshervorming door en vervolgde de begrotingssanering.
Zij werd ook geconfronteerd met de weigering van de Koning om de abortuswet goed
te keuren. Als minister van Verkeer duwde ik het tracé van de HST door,
saneerde Sabena en nam enkele drastische maatregelen inzake verkeersveiligheid
(50 km in dorpskom, zone 30, 0,5 alcoholgrens). De regering struikelde uiteindelijk
over de wapenleveringen en de legislatuur eindigde met de eerste zwarte zondag
met de doorbraak van het Vlaams Blok.
Toen heb ik er een ogenblik ernstig aan gedacht de politiek te verlaten. Ik was
zelfs al op zoek naar een nieuwe opdracht, liefst binnen het ACW.
1992-1999 EERSTE MINISTER
Maar
het kan verkeren… Toen men enkele
weken na de verkiezingen compleet in een impasse zat (onder meer
wegens de eis van de CVP
dat de regering over de twee derde meerderheid moest beschikken)
deelde CVP-voorzitter Herman Van Rompuy mij mee dat hij de koning
had gesuggereerd op mij beroep te doen om de crisis op te lossen.
Ik stelde in spoed een noodregering samen die niemand lang leven
voorspelde. We bleven nochtans zeven jaar in het
zadel…, zeven hectische jaren.
Eerst konden we een akkoord
over de staatshervorming bereiken, het zogenaamde Sint-Michielsakkoord,
waarvoor we enkele maanden
later de steun kregen van de
Groenen. Daarna kwam het Globaal Plan tot stand waardoor het land op de juiste
weg naar de Monetaire Unie werd gezet. Ondertussen overleed Koning Boudewijn.
Hij werd tot veler verrassing opgevolgd door Koning Albert. Ik ben dus de
laatste Eerste Minister van de ene en de eerste van de andere
geweest. We werden geconfronteerd
met de dood van 10 para’s in Rwanda. Ook het Agusta-schandaal moesten
wij trotseren met het ontslag van verschillende PS- en later SP-politici
als gevolg.
 |
|
Ondertussen
was ik in mei 1994 door Kohl en Mitterand voorgesteld als
Commissievoorzitter op een Europese Raad in Korfoe. Alleen
een veto van Groot-Brittannië belette dat. Dit werd
echter de basis van mijn populariteit in België, wat
duidelijk werd bij de succesrijke verkiezingen van juni 95
onder het thema ‘De tocht
is moeilijk, de gids ervaren’. Tot veler verrassing, niet in het minst
van Verhofstadt en de |
liberalen die het vel van de beer te vroeg verkocht
hadden, kon de regering met de socialisten verder werken. Op 1 januari
1999 werd België aanvaard als lid van de Europese Monetaire
Unie. Een bekroning waarvan we niet lang hebben kunnen genieten:
een week voor die beslissing was Dutroux ontsnapt…
Vanaf zomer 1997 werd het regeringswerk gedomineerd door de weerzinwekkende
moord op Julie en Melissa en op An en Eefje, kortom door de zaak
Dutroux. Hoewel de
hervorming van politie en justitie in het regeerakkoord één van
de grote prioriteiten was, net als het halen van de EMU, bleek nu dat we deze
opdracht verwaarloosd hadden. Voortaan werd dit de topprioriteit. Gelukkig lagen
heel wat hervormingsplannen klaar in de kartonnen van de betrokken ministers.
Ze werden systematisch uitgewerkt en aan het parlement voorgelegd. Hoewel vooral
aan PRL-zijde onder impuls van Louis Michel een constructieve oppositie werd
gevoerd, gingen de zaken onvoldoende vooruit. Tot Dutroux ontsnapte. Ook al werd
hij snel gevat, dit incident leidde toch tot het ontslag van twee ministers.
Maar het werkte ook als katalysator voor de hervorming. De oppositie veranderde
het geweer van schouder en kwam mee aan tafel zitten. Het werd het Octopusakkoord.
Op die basis dachten we vol vertrouwen naar de verkiezingen te kunnen stappen.
De dioxinecrisis, die eigenlijk geen crisis was, maar omwille van de verkiezingssfeer
heel wat emoties losweekte (en daardoor een hoge economische kostprijs had)
werd de meerderheid fataal. Ik nam de verantwoordelijkheid voor de nederlaag
op mij en trok mij terug uit de nationale politiek.
LEVEN NA DE 16
 |
|
Ik
ging echter niet op pensioen. In januari 2001 werd ik beëdigd
als burgemeester van Vilvoorde, na heel wat perikelen want
onze coalitie had oorspronkelijk geen meerderheid. We kregen
echter de steun van twee afgescheurden van het FDF, die een
plechtige verklaring aflegden waarin ze het Nederlandstalige
karakter van Vilvoorde erkenden. Er kwam een storm van ‘Vlaams’ protest.
Dit ging snel luwen. De coalitie |
heeft ondertussen vijf jaar bewezen een hechte
groep te zijn. Het beleid is erop gericht het Vlaamse karakter van
Vilvoorde te versterken.
Een aantal bedrijven vroegen mij te zetelen in hun Raad van Bestuur:
Inbev, Umicorre, Lotus Bakeries, Telindus, Domo. Ik ben altijd
voorstander geweest van een zekere kruisbestuiving tussen de politiek
en het bedrijfsleven. Mijn ervaring heeft mij ondertussen geleerd
dat dit effectief mogelijk is.
Tenslotte blijf ik ook Europees actief. In 1999 vroeg
Prodi mij een ‘wisemen’ groep voor te zitten, die hem een advies
moest geven over de komende Intergouvernementele Conferentie (IGC).
Daarna vroeg de regering mij haar te vertegenwoordigen in de eerste
Europese Conventie die het Charter van Fundamentele Rechten heeft
opgesteld. Eerste Minister Verhofstadt vroeg mij ook lid te worden
van de Groep van Laken die mee de Verklaring van Laken heeft opgesteld.
Deze verklaring bevatte als het ware een lastenboek voor de tweede
Europese Conventie, dat het ontwerp Europees Grondwettelijke Verdrag
heeft opgesteld. Door de Europese Raad werd ik tot vice-Voorzitter
van de Conventie benoemd. Eén van de boeiendste opdrachten
uit mijn carrière.
In de opiniepeilingen verscheen ik geregeld in de hitparade van
populairste politici. Bij de federale verkiezingen van 2003 stond
ik dan ook onder druk om op te komen. Ik was overtuigd dat ik de
partij daarmee een slechte dienst zou bewijzen. Het zou een gemakkelijkheids-
en vooral korte-termijnoptie geweest zijn. Om een nutteloze en
schadelijke discussie te vermijden, aanvaardde ik om als laatste
opvolger op de senaatslijst op te komen. Ik haalde nog 248 752
voorkeurstemmen. Een jaar later waren het Europese Verkiezingen.
Ook hiervoor was ik geen vragende partij.
| Yves Leterme
zou de campagne dragen en zijn aanpak sloeg aan. Hij vroeg
mij in steun op te komen. Gezien mijn Europese inzet leek
het mij zinvol en geloofwaardig dat ik dat kon doen als kopman
van de Europese lijst. Het werd een succes. We haalden Europees
4 zetels en ikzelf haalde 651 345 voorkeurstemmen. Zoals
ik had beloofd, zetel ik nu effectief in het Europees Parlement. |
|
 |
Het moge dus duidelijk zijn dat er nog leven is ‘na
de 16’.
Hoewel ik er ondertussen 65 ben geworden, ben ik
nog steeds hyperactief. Reeds als minister van Sociale
Zaken heb ik gepleit
voor een hogere
activiteitsgraad en voor het verschuiven van de pensioenleeftijd.
Ik wil in het huidige eindeloopbaandebat een voorbeeld stellen.
|