Jean-Luc Dehaene - Europa

Bureau Europees Parlement

Europees Parlement

ASP 8F356

Wiertzstraat 60

1047 Brussel

Tel: 02 284 58 67

jldehaene@europarl.eu.int

In het Europees Parlement wordt Jean-Luc Dehaene bijgestaan door Marie-Claire Robijns en Tine Meyfroodt.

09-09-2006

Hubert Pierlot

(22/02/1939 - 12/02/1945)

Premier van een kabinet met de liberalen. Bij het uitbreken van WO II nam hij de socialisten in zijn regering op. De rechtlijnige, wat stugge Ardennees Pierlot en zijn topministers kwamen tijdens de 18-daagse veldtocht tegen de Duitsers in conflict met Leopold III. Pierlot nam afstand van de politieke avonturen van de vorst en leidde in Londen een regering in ballingschap. Na de bezetting was hij opnieuw premier van de eerste naoorlogse regering. Maar Pierlots koningsgezinde katholieke partij waardeerde maar matig zijn houding tegenover Leopold III en zette hem aan de kant.


Achille Van Acker

(12/02/1945 - 13/03/1946, 31/03/1946 - 03/08/1946
en 23/04/1954 - 26/06/1958)

Van Acker werkte tijdens de oorlog in de illegaliteit aan de wederopstanding van de socialistische beweging. Na de oorlog bouwde hij een indrukwekkende carriere uit. Hij slaagde erin de Belgische mijnen opnieuw draaiende te krijgen en zo het land van de nodige energie te voorzien. Het leverde hem de bijnaam Achille Charbon op (spreek uit: «Assiel Sarbon», want Bruggeling Van Acker lispelde en sprak op een heel eigen manier de taal van Moliere). Van Acker leidde vier regeringen. Hij ging de geschiedenis in als een van de vaders van de sociale zekerheid.

Paul-Henri Spaak

(13/03/1946 - 31/03/1946, 20/03/1947 - 11/08/1949)

Spaak stamde uit een Brusselse liberale familie, maar engageerde zich als student bij de Belgische Werkliedenpartij. Al voor de oorlog schopte hij het op amper 39-jarige leeftijd tot premier. In maart 1946 leidde hij in volle koningskwestie de kortste regering ooit. Nadien zou hij eind jaren veertig en nog steeds in volle koningskwestie zijn laatste twee regeringen leiden. Spaak, die het in 1940 met Pierlot tegen Leopold III had opgenomen, verzette zich tegen de terugkeer van de vorst. De staatsman Spaak maakte vooral naam als minister van Buitenlandse Zaken. Spaak lag aan de basis van de Benelux, was een overtuigd Europeaan en schopte het in 1957 tot secretaris-generaal van de NAVO.


Camille Huysmans

(03/08/1946 - 20/03/1947)

Als premier liet de socialist, pacifist en flamingant Huysmans geen al te grote indruk na. Zijn regering had slechts een stem op overschot en hield amper enkele maanden stand. Hij imponeerde vooral als burgemeester en schepen van Antwerpen en als internationaal socialist. De non-conformist Huysmans bleef tot op zeer hoge leeftijd populair. Hij zetelde meer dan 50 jaar in de Kamer. Stiekem hoopte hij om als eerste zijn honderdste verjaardag in het parlement te vieren. Maar in 1965 weerde de Antwerpse BSP hem van de lijst.


Gaston Eyskens

(11/08/1949 - 08/06/1950, 26/06/1958 -

25/04/1961, 17/06/1968 - 26/01/1973)

Vader Eyskens leidde zes kabinetten. Een eerste kwam, zoals zovele andere, in 1950 ten val door de koningskwestie. Gaston Eyskens stond aan het roer tijdens enkele sleutelmomenten uit de Belgische naoorlogse geschiedenis. Eind jaren '50 werd het schoolpact getekend. Eyskens legde in dezelfde periode met zijn expansiewetten de basis voor de welvaartsexplosie van de jaren zestig. Onder zijn bewind werd Congo onafhankelijk. In zijn laatste periode als premier, begin jaren zeventig, begroef zijn regering Eyskens V de unitaire Belgische staat en vond de eerste schuchtere stap naar de latere staatshervormingen plaats. Hij verliet definitief de Wetstraat in 1973.




Jean Duvieusart

(08/06/1950 - 16/08/1950)

Dankzij haar pro-Leopoldistische houding behaalden de katholieken in 1950 de meerderheid. Duvieusart moest als premier zorgen voor de terugkeer van Leopold III op de troon. Bij de aankomst van de koning stond het land echter in rep en roer. Een burgeroorlog dreigde en in Wallonie vielen bij manifestaties de eerste doden. Uiteindelijk moest Leopold III troonsafstand doen. Anders gezegd: Duvieusart had gefaald. Dat resulteerde in de ondergang van zijn regering. Duvieusart eindigde zijn politieke carriere bij het Rassemblement Wallon en het FDF.


Joseph Pholien

(16/08/1950 - 15/01/1952)

Pholien kwam aan het hoofd van de regering op een dramatisch moment: het gewelddadige en spectaculaire einde van de koningskwestie. Hij moest de eenheid herstellen in het land, terwijl zijn partij CVP-PSC haar wonden likte. Want ondanks haar absolute meerderheid had ze Leopold niet op de troon kunnen houden. Pholien nochtans een Leopoldist pur sang slaagde erin de gemoederen te bedaren. Het grootste gevaar voor de premier kwam van binnen zijn partij. Pholien werd onvoldoende daadkracht op econmisch vlak verweten. Directe aanleiding van zijn ontslag was zijn tussenkomst in een repressiedosssier. Zijn eigen partijvoorzitter Theo Lefevre stak de premier op 15 januari 1952 een dolk in de rug. Een ontgoochelde Pholien stond zijn plaats af aan partijgenoot Jean Van Houtte. Enkele jaren later verliet hij de politiek.


Jean Van Houtte

(15/01/1952 - 23/04/1954)

De homogene CVP-regering Van Houtte ging van start onder een slecht gesternte. De oppositie lokte een incident uit over de afwezigheid van de jonge koning Boudewijn op de begrafenis van de Engelse vorst George VI. Van Houttes regering verloor de vertrouwensstemming, maar ging toch door. De hele regeerperiode werd in beslag genomen door discussies over de repressie, de legerdienst die in volle Korea-oorlog op 24 maanden was gebracht en Pierre Harmels onderwijsbeleid dat volgens de oppositie het katholieke net sterk bevoordeligde. Het kabinet-Van Houtte sleepte zich moeizaam naar de verkiezingen.


Theo Lefevre

(25/04/1961 - 28/07/1965)

Nadat hij elf jaar het voorzitterschap van de CVP had uitgeoefend en de partij, onder meer dankzij de Schoolstrijd, mee had groot gemaakt, zette Lefevre de «te rechts» bevonden vader Eyskens in de wind om zelf een regering met de socialisten te leiden. Die zou een «travaillistische» politiek gaan voeren. Lefevre realiseerde sociale vooruitgang en voerde een aantal belangrijke hervormingen uit. Ook werd werk gemaakt van de uitbreiding van de universiteiten. Lefevre creeerde de basis van het huidige belastingstelsel. Hij hervormde de ziekte- en invaliditeitsverzekering en legde de taalgrens definitief vast. Kortom, de uit de Franstalige burgerij afkomstige Gentenaar leidde een van de belangrijkste en meest stabiele naoorlogse regeringen. Maar na vier jaar werd hij door de kiezer afgestraft. De erudiete sarcast Lefevre kwam slecht over op de steeds maar aan belang winnende televisie. Ook slaagde hij erin om velen tegen zich in het harnas te jagen. Na zijn premierschap deemsterde Lefevre politiek helemaal weg, verloor een zoon, kende financiele moeilijkheden en overleed op amper 59-jarige leeftijd.


Pierre Harmel

(28/07/1965 - 19/03/1966)


Harmel leidde een korte regering met de socialisten. Hij is, net als Spaak, eigenlijk bekender geworden door zijn activiteit in de buitenlandse politiek. Hij was als minister van Buitenlandse Zaken de uitvinder van de 'Harmel-doctrine'. Die stond voor een sterke defensie en stabiele relaties met het Oostblok. Die lijn werd zo goed als het officiele NAVO-beleid in de tweede helft van de jaren zestig en de jaren zeventig.


Paul Vanden Boeynants

(19/03/1966 - 17/06/1968 en 20/10/1978 - 03/04/1979)


Slagerszoon Paul Vanden Boeynants werd in maart 1966 door de koning benoemd als formateur. Vermits de socialisten hun veto stelden tegen VDB als premier, ging hij in zee met de liberalen. VDB besloot de communautaire problemen voor twee jaar te «bevriezen». Zijn regering keurde een tweede reeks expansiewetten goed en deelde de ruim beschikbare centen uit. Pensioenen, kinderbijslagen, studiebeurzen en werkloosheidsuitkeringen werden opgetrokken. De verslechterende economische situatie verplichtte echter al snel tot bezuinigingen. VDB greep naar volmachten om die door te voeren. Hoewel hij de taalproblemen bevroren had, viel de regering na amper twee jaar over Leuven-Vlaams. Na het opstappen van Leo Tindemans in oktober 1978 deed VDB even dienst als depaneur aan het hoofd van een «overgangskabinet». Na de verkiezingen leek het dat formateur VDB de nieuwe regering zou leiden. Maar Laken deed op de valreep een beroep op Wilfried Martens. Ingewijden wisten toen dat VDB in opspraak ging komen in het kader van een onderzoek naar fiscale fraude.


Edmond Leburton

(26/01/1973 - 25/04/1974)


De Waalse socialist Leburton was de laatste Franstalige premier van ons land. Zijn korte regeerperiode aan het hoofd van een driepartijenkabinet was een drama. Eigenlijk had Leburton de door zijn voorganger voorbereide grondwetsherziening, de zgn. gewestvorming, moeten finaliseren. Maar dat is er nooit van gekomen. Het land zuchtte onder een dokwerkerstaking, een scholierenstaking tegen de legerhervorming van VDB, betogingen om abortus uit het strafwetboek te halen en de moeizame herziening van het Schoolpact. De eerste oliecrisis stak stokken in de economische wielen. Ten slotte viel de regering-Leburton bijna over haar eigen voeten: ze ging ten onder in een sfeer van schandalen. Fraude bij de RTT (de staatsvoorloper van Belgacom) kostte alleen maar de kop van minister Anseele. Gesjoemel bij de oprichting van een olieraffinaderij in de streek rond Luik, het zgn. Ibramco-schandaal, werd de hele regering fataal.

Leo Tindemans

(25/04/1974 - 20/10/1978)


Tindemans, van bescheiden komaf, is een puur product van de katholieke beweging. Een studax die de diploma's opstapelde en in 1968 zijn intrede deed in de regering-Eyskens. Niet iedereen geloofde in zijn politiek talent. «Te geleerd», zei VDB. «Leo haalt nooit meer dan 5.000 stemmen.» In 1979 op het hoogtepunt van zijn roem, scoorde Tindemans in Vlaanderen bij de eerste Europese verkiezingen net geen miljoen (!) voorkeurstemmen. Tindemans had toen nog geen jaar eerder met veel gevoel voor dramatiek en in aanwezigheid van de tv-camera's op de tribune van de kamer ontslag genomen als premier. «De grondwet is geen vodje papier.» Hij nam het namelijk niet dat een junta van partijvoorzitters (Martens-Van Miert-Cools-Nothomb-Schiltz) hem tegen het advies van de Raad van State in het Egmontpact over verdere stappen in de staatshervorming wilden opleggen. Laken heeft hem die «onbetrouwbaarheid» nooit vergeven en ging daarop voor meer dan een decennium in zee met Wilfried Martens. Tindemans heeft zijn immense populariteit nooit meer in echte macht kunnen omzetten. Het bilan van zijn vrij korte regeerperiode is achteraf gezien nogal mager. Er werd onder Tindemans eindeloos geredetwist over communautaire problemen. Een echt beleid tegen de economische crisis kwam zeer moeizaam tot stand. Een voor die tijd vrij drastisch versoberingsplan botste in 1977 op de vakbonden en leidde mee tot het ontslag van de regering. Na de verkiezingen van 1978 ontstond nog meer politieke heibel rond zijn zgn. anticrisiswet. Uiteindelijk raakte die door het ontslag van Tindemans zelfs niet meer door het parlement.


Wilfried Martens

(03/04/1979 - 06/04/1981 en 17/12/1981 - 07/03/1992)


In feite bestaan er twee versies van Wilfried Martens als premier. De eerste Martens regeerde met de socialisten (op een korte driepartijenregering Martens III na), stak veel, zoniet alle energie in de staatshervorming uiteindelijk mag hij wel beschouwd worden als een van de vaders vanhet federale Belgie en liet het land economisch verder afglijden tot het niveau van een bananenrepubliek. Een tussenkomst van het Internationaal Muntfonds was in 1981 niet ondenkbeeldig meer en Boudewijn riep de negentien machtigste mannen van het land samen («l'etat reel») met de boodschap: «We zijn in oorlog. Een oorlog om onze economie te redden.»

Nadat Mark Eyskens pijnlijk gefaald had en een stembusgang, kwam de tweede Martens aan de macht. Hij regeerde met de liberalen, voerde een zeer drastisch herstelbeleid (met volmachten) en redde zo het land van de economische ondergang. Bij de uitvoering van die lastige klus kreeg Martens in de kille jaren tachtig bovendien te maken met terrorisme (CCC) en bloedige overvallen (Bende van Nijvel). De Koude oorlog werd op het scherpst van de snee gevoerd en Martens had de moed om de plaatsing van kernraketten te verdedigen. Voeren, abortus (en het verzet van de koning daartegen), de neergang van de staalindustrie bemoeilijkten het regeringswerk nog meer. Maar Martens zette ondanks de moeilijke omstandigheden door. Zijn laatste regering was er opnieuw een met de socialisten. Het was Martens' regering te veel.


Mark Eyskens

(06/04/1981 - 17/12/1981)


De schier eindeloze reeks Martens-regeringen werd in 1981 onderbroken door een bijzonder kort interregnum Eyskens I. Martens had begin 1981 begrepen dat hij de dramatische economische toestand van het land niet kon aanpakken met de socialisten als coalitiepartner. Eyskens dacht van wel. «Omdat hij zo graag wilde», beweren kwatongen nog steeds. Eyskens I was een doorslag van Martens IV. Alleen zonder Martens en met technocraat Robert Vandeputte op Financien. Eyskens leverde in korte tijd ad absurdum het bewijs dat Martens gelijk had met zijn mening over de socialisten. Aan het eind van zijn regering gingen de Waalse socialistische ministers zelfs in staking. Eyskens had de zaken niet meer in de hand en nam ontslag.


Jean-Luc Dehaene

(07/03/1992 - 12/07/1999)


Decennialang leerde Dehaene binnen de christelijke zuil zijn zin voor netwerken, realisme en respecteren van krachtsverhoudingen ontwikkelen. Begin jaren tachtig stapte hij in de regering. In 1987 ontwarde hij in 106 dagen een van de moeilijkste politieke crisissen uit de naoorlogse geschiedenis. Maar na het gedane werk deed hij een stap terug en bleef Wilfried Martens premier. Het was slechts uitstel. De jaren negentig waren voor Dehaene. Onder zijn no nonsense bewind twee regeringen met de socialisten werd de staatshervorming afgerond: het St.-Michielsakkoord maakte van ons land een echte federale staat. Dehaene zorgde op begrotingsvlak voor een echte trendbreuk: de jarenlange aangroei van de Belgische staatsschuld werd een halt toegeroepen. Sterker nog: dankzij volgehouden budgettaire inspanningen haalde Belgie de Maastrichtnorm en kon zo toetreden tot de Euro-zone. In 1997 hield Dehaene als een van de enigen het hoofd koel toen de zaak-Dutroux het land op zijn grondvesten deed daveren. Ten slotte redde hij het vertrouwen in de monarchie door Albert in de zomer van 1993 nogal verrassend te verplichten om zijn overleden broer Boudewijn op te volgen. Een gemanipuleerde kippenhistorie maakte in juni 1999 een einde aan zijn carriere als eerste minister.

Het Laatste Nieuws, pagina 18, 2279 woorden
© Aurex NV

© 2006 Design & Development by 4xl.be

www.epp-eu.org www.epp-ed.org