Bureau Europees Parlement

Europees Parlement

ASP 8F356

Wiertzstraat 60

1047 Brussel

Tel: 02 284 58 67

jldehaene@europarl.eu.int

In het Europees Parlement wordt Jean-Luc Dehaene bijgestaan door Marilyn Neven en Tine Meyfroodt.

 
 

 

Media   06-2005

Het laatste woord

Europa: quo vadis?

Jean-Luc Dehaene (CD&V-europarlementslid)

Het ontwerp Europees grondwettelijk verdrag was een poging om de uitdagingen waarmee Europa geconfronteerd wordt in de 21ste eeuw een juridische basis te geven. Deze uitdaging is dubbel: 1) na de hereniging van West- en Oost-Europa, de (economische) integratie consolideren; 2) de politieke eenheid uitbouwen om Europa te laten uitgroeien tot een global actor die een volwaardige rol kan spelen in de global governance (de organisatie van de globalisering).
Tijdens de ratificatie van het ontwerpverdrag, vooral in de landen die een referendum organiseren, is gebleken dat de burgers de uitbreiding als bedreigend ervaren. We zouden overspoeld worden door migranten en goedkope producten en onze bedrijven zouden wegtrekken naar elders. De referenda werden een uitspraak (met vertraging) over de uitbreiding. De paradox is dat juist de uitbreiding op termijn het enige structurele antwoord is op wat de burgers vrezen. Trouwens, dezelfde angst kwam tot uiting ten tijde van de uitbreiding naar het zuiden (Spanje, Portugal, Griekenland). Had men toen in Frankrijk een referendum gehouden, zou er een massaal ‘nee’ hebben weerklonken. Vandaag is bewezen dat die operatie voor iedereen een goede zaak was.

De uitbreiding naar Centraal-Europa zal hetzelfde effect hebben. Meer zelfs: ze heeft al een heel positief effect gehad. Dank zij het uitbreidingsproces werd Centraal-Europa politiek gestabiliseerd en werden, samenhangend en gestaag, de nodige hervormingen doorgevoerd. Dat het anders had gekund, is bewezen in Rusland. De snelle economische ontwikkeling in Centraal-Europa komt ook ons ten goede. De handelsbalans is immers positief in ons voordeel.

ANGST VOOR SNELLE MAATSCHAPPELIJKE VERANDERING



canada med


Door de hereniging komt echter een nieuw Europa tot stand met 25 lidstaten. Dat vraagt ook hervormingen binnen de Unie. Die hadden we inderdaad beter vóór de uitbreiding doorgevoerd. Maar daar hebben we gefaald. De nieuwe lidstaten nog langer laten wachten, terwijl zij klaar waren, zou een destabiliserend effect gehad hebben op Centraal-Europa en zou ook niet eerlijk geweest zijn ten aanzien van de kandidaten.

De Europese Conventie was een poging om alsnog een antwoord te vinden op de uitdaging, en dit met de medewerking van de nieuwe leden die volwaardig lid waren van de Conventie. Het ontworpen grondwettelijk Verdrag was een begin van antwoord, een belangrijke stap vooruit. Op één punt ben ik het eens met de kritiek: we hadden ons beter beperkt tot het eerste en het tweede deel. De enige die echt grondwettelijk zijn. Het derde deel betreft de politieke werkwijze die in toepassing van de Grondwet wordt uitgewerkt (de essentie van de huidige verdragen). Die had moeten opgenomen worden in een toepassingsverdrag, dat later met een Europese procedure (akkoord tussen Raad, Commissie en Parlement zonder nationale ratificaties), kon worden aangepast. Zoals in de lidstaten moet immers het beleid soepel kunnen aangepast worden aan de maatschappelijke evolutie, binnen het institutionele kader van de Grondwet. In de Conventie werd deze aanpak echter niet aanvaard. Men wou álles in het basisverdrag.

In de referenda drukte de burger ook een bredere angst uit: voor de globalisering, voor de informatiemaatschappij, kortom voor de snelle maatschappelijke verandering. Die wordt als bedreigend ervaren. Populisten spelen daar tijdens een referendumcampagne gretig op in en geven de indruk dat een zich terugplooien binnen de nationale grenzen de beste dam is tegen deze bedreiging. Niets is minder waar. Alleen een Europees antwoord biedt een uitweg. Maar het is er een op lange termijn die gepaard gaat met hervormingen op korte termijn. Deze laatste zijn soms pijnlijk en plaatsen verworvenheden (uit het verleden) op de helling. Daarom worden ze verworpen, maar zonder alternatief.

Globalisering is onomkeerbaar en kan zelfs positief worden als we ze organiseren. Dat is het opzet van de opeenvolgende wereldconferenties. Het is een (te) traag proces dat sneller verloopt op economisch dan op sociaal en ecologisch vlak, maar er is geen andere weg. De economie speelt immers spontaan sneller in op technologische verandering. Dat was ook het geval met de industrialisering. Maar dat is geen reden om ze tegen te houden of te bestrijden. Dat lukt toch niet. If you can’t beat them, join them, maar verplicht ze wel rekening te houden met het algemene belang. Ook de overgang van een industriële naar een informatiemaatschappij verplicht ons hervormingen door te voeren. Onze sociale markteconomie werd uitgebouwd in functie van de industrie. Industrie is centraliserend en uniformiserend. De informatietechnologie echter is decentraliserend, flexibel, individualiserend en diversifiërend. Daar moet het sociale model zich aan aanpassen, ook al kunnen de doelstellingen dezelfde blijven. Maar de aanval tegen het ‘liberale Europa’ getuigt vaak van een FGTB-achtige struisvogelpolitiek die alles bij het oude wil laten. Maar de boodschap slaat aan in een populistische campagne die inspeelt op het angstgevoel.

BOODSCHAP NIET OVERGEKOMEN

Het ontwerp grondwettelijk verdrag was nochtans het meest sociale verdrag dat de Europese Unie ooit heeft geproduceerd, ondermeer dank zij de integratie van het Charter van de grondrechten, met inbegrip van de sociaal-economische rechten. Het was daarenboven de aanloop naar een politiek Europa dat zich kon opwerpen als een volwaardige gesprekspartner op globaal vlak. Het was dus een constructief en perspectief gevend antwoord op wat de burgers vrezen. Maar die boodschap is niet overgekomen.

De boodschap is niet overgekomen omdat ze werd overgebracht door leiders die geen geloofwaardigheid hadden. Zowel vanuit Nederland als vanuit Frankrijk waren op de VRT interviews te horen van burgers die het vrij cru formuleerden: “Al onze leiders en editorialisten vragen om ‘ja’ te stemmen, dus stemmen we ‘nee’…” Met andere woorden, de ‘nee’ in de referenda is niet zozeer een ‘nee’ tegen de Grondwet, maar een uitdrukking van de balorigheid van de burgers ten aanzien van de politici, die verweten worden niet naar hen te luisteren. In Nederland ligt de ‘nee’ in het verlengde van de Pim Fortuyn-rage en in Frankrijk van de tweede ronde van de presidentsverkiezingen waar plots Jean-Marie Le Pen de tweede hoogste score behaalde. Sommigen spreken van de kloof tussen de burger en Europa, maar de eerste kloof bevindt zich binnen de nationale samenlevingen.

De nationale verantwoordelijken weten dat heel wat problemen de mogelijkheden van een nationale aanpak overschrijden. Ze weten dat de meest aangewezen aanpak die is van een supranationale Unie. Geen superstaat, maar een samenwerkingsverband waarin men de zaken die het nationale overstijgen Europees aanpakt. Zij weten dat op die domeinen de reële soevereiniteit een gedeelde Europese soevereiniteit is. Maar, ze slagen er niet in deze boodschap over te brengen. Ook omdat ze bij moeilijke hervormingen Europa als boeman aanwijzen, daardoor de indruk wekkend dat zónder Europa deze hervormingen overbodig zouden zijn, quod non. Integendeel. Europa helpt noodzakelijke hervormingen door te voeren, maar door de nationale boodschap wordt dit ánders gepercipieerd.

Het resultaat van dit alles is dat men massaal ‘nee’ gestemd heeft in Frankrijk en Nederland, dat het risico op een ‘nee’ bestaat bij elk referendum. Zelfs bij een referendum in België zou dit risico reëel geweest zijn, vooral na het klungelen van de regering-Verhofstadt in de laatste maanden.

EVEN TIJD VOOR REFLECTIE

Wat nu? Want het ‘nee’ biedt geen enkel alternatief. Het is niet eens zeker dat het een verwerping van de Grondwet is, want in vele gevallen werd op die vraag niet geantwoord. Wel op vragen die niet gesteld waren. De leiders van de betrokken landen zijn totaal gedestabiliseerd, hebben geen enkel houvast bij komende Europese onderhandelingen. Maar ook in de lidstaten waar men ‘ja’ heeft gestemd, weet men niet meer waar men aan toe is. Sommige dromen ervan vooruit te gaan met een avant garde. Maar daar werd juist gerekend op de kernlanden, de stichtende landen, en uitgerekend twee daarvan hebben ‘nee’ gestemd en zijn het Europese noorden kwijt. Niemand heeft een pasklare oplossing, maar de problemen en uitdagingen blíjven. De vragen van de Verklaring van Laken vragen om een antwoord want zij zijn de reële vragen waarmee Europa geconfronteerd wordt.

Laten we dus een reflectietijd inbouwen. Een beperkte tijdspanne, een jaar, anderhalf jaar. Want de wereld blijft ondertussen niet stilstaan. En laten we er ondertussen over waken dat de instellingen blijven functioneren. Want we hebben Europa nodig.

Jean-Luc Dehaene

 

© 2006 Design & Development by 4xl.be

 

 

 

 

 

 

 

www.epp-eu.org www.epp-ed.org