| |
Het laatste woord
Europa:
quo vadis?
Het ontwerp Europees grondwettelijk verdrag was een poging om de
uitdagingen waarmee Europa geconfronteerd wordt in de 21ste eeuw
een juridische basis te geven. Deze uitdaging is dubbel: 1) na
de hereniging van West- en Oost-Europa, de (economische) integratie
consolideren; 2) de politieke eenheid uitbouwen om Europa te
laten uitgroeien tot een global actor die een volwaardige rol
kan spelen in de global governance (de organisatie van de globalisering).
Tijdens de ratificatie van het ontwerpverdrag, vooral in de landen
die een referendum organiseren, is gebleken dat de burgers de uitbreiding
als bedreigend ervaren. We zouden overspoeld worden door migranten
en goedkope producten en onze bedrijven zouden wegtrekken naar
elders. De referenda werden een uitspraak (met vertraging) over
de uitbreiding. De paradox is dat juist de uitbreiding op termijn
het enige structurele antwoord is op wat de burgers vrezen. Trouwens,
dezelfde angst kwam tot uiting ten tijde van de uitbreiding naar
het zuiden (Spanje, Portugal, Griekenland). Had men toen in Frankrijk
een referendum gehouden, zou er een massaal ‘nee’ hebben
weerklonken. Vandaag is bewezen dat die operatie voor iedereen
een goede zaak was.
De uitbreiding naar Centraal-Europa zal hetzelfde effect hebben.
Meer zelfs: ze heeft al een heel positief effect gehad. Dank zij
het uitbreidingsproces werd Centraal-Europa politiek gestabiliseerd
en werden, samenhangend en gestaag, de nodige hervormingen doorgevoerd.
Dat het anders had gekund, is bewezen in Rusland. De snelle economische
ontwikkeling in Centraal-Europa komt ook ons ten goede. De handelsbalans
is immers positief in ons voordeel.
ANGST VOOR SNELLE MAATSCHAPPELIJKE VERANDERING
Door de hereniging komt echter een nieuw Europa tot stand met 25
lidstaten. Dat vraagt ook hervormingen binnen de Unie. Die hadden
we inderdaad beter vóór de uitbreiding doorgevoerd.
Maar daar hebben we gefaald. De nieuwe lidstaten nog langer laten
wachten, terwijl zij klaar waren, zou een destabiliserend effect
gehad hebben op Centraal-Europa en zou ook niet eerlijk geweest
zijn ten aanzien van de kandidaten.
De Europese Conventie was een poging om alsnog een antwoord te
vinden op de uitdaging, en dit met de medewerking van de nieuwe
leden die volwaardig lid waren van de Conventie. Het ontworpen
grondwettelijk Verdrag was een begin van antwoord, een belangrijke
stap vooruit. Op één punt ben ik het eens met de
kritiek: we hadden ons beter beperkt tot het eerste en het tweede
deel. De enige die echt grondwettelijk zijn. Het derde deel betreft
de politieke werkwijze die in toepassing van de Grondwet wordt
uitgewerkt (de essentie van de huidige verdragen). Die had moeten
opgenomen worden in een toepassingsverdrag, dat later met een Europese
procedure (akkoord tussen Raad, Commissie en Parlement zonder nationale
ratificaties), kon worden aangepast. Zoals in de lidstaten moet
immers het beleid soepel kunnen aangepast worden aan de maatschappelijke
evolutie, binnen het institutionele kader van de Grondwet. In de
Conventie werd deze aanpak echter niet aanvaard. Men wou álles
in het basisverdrag.
In de referenda drukte de burger ook een bredere angst uit: voor
de globalisering, voor de informatiemaatschappij, kortom voor de
snelle maatschappelijke verandering. Die wordt als bedreigend ervaren.
Populisten spelen daar tijdens een referendumcampagne gretig op
in en geven de indruk dat een zich terugplooien binnen de nationale
grenzen de beste dam is tegen deze bedreiging. Niets is minder
waar. Alleen een Europees antwoord biedt een uitweg. Maar het is
er een op lange termijn die gepaard gaat met hervormingen op korte
termijn. Deze laatste zijn soms pijnlijk en plaatsen verworvenheden
(uit het verleden) op de helling. Daarom worden ze verworpen, maar
zonder alternatief.
Globalisering is onomkeerbaar en kan zelfs positief worden als
we ze organiseren. Dat is het opzet van de opeenvolgende wereldconferenties.
Het is een (te) traag proces dat sneller verloopt op economisch
dan op sociaal en ecologisch vlak, maar er is geen andere weg.
De economie speelt immers spontaan sneller in op technologische
verandering. Dat was ook het geval met de industrialisering. Maar
dat is geen reden om ze tegen te houden of te bestrijden. Dat lukt
toch niet. If you can’t beat them, join them, maar verplicht
ze wel rekening te houden met het algemene belang. Ook de overgang
van een industriële naar een informatiemaatschappij verplicht
ons hervormingen door te voeren. Onze sociale markteconomie werd
uitgebouwd in functie van de industrie. Industrie is centraliserend
en uniformiserend. De informatietechnologie echter is decentraliserend,
flexibel, individualiserend en diversifiërend. Daar moet het
sociale model zich aan aanpassen, ook al kunnen de doelstellingen
dezelfde blijven. Maar de aanval tegen het ‘liberale Europa’ getuigt
vaak van een FGTB-achtige struisvogelpolitiek die alles bij het
oude wil laten. Maar de boodschap slaat aan in een populistische
campagne die inspeelt op het angstgevoel.
BOODSCHAP NIET OVERGEKOMEN
Het ontwerp grondwettelijk verdrag was nochtans het meest sociale
verdrag dat de Europese Unie ooit heeft geproduceerd, ondermeer
dank zij de integratie van het Charter van de grondrechten, met
inbegrip van de sociaal-economische rechten. Het was daarenboven
de aanloop naar een politiek Europa dat zich kon opwerpen als een
volwaardige gesprekspartner op globaal vlak. Het was dus een constructief
en perspectief gevend antwoord op wat de burgers vrezen. Maar die
boodschap is niet overgekomen.
De boodschap is niet overgekomen omdat ze werd overgebracht door
leiders die geen geloofwaardigheid hadden. Zowel vanuit Nederland
als vanuit Frankrijk waren op de VRT interviews te horen van burgers
die het vrij cru formuleerden: “Al onze leiders en editorialisten
vragen om ‘ja’ te stemmen, dus stemmen we ‘nee’…” Met
andere woorden, de ‘nee’ in de referenda is niet zozeer
een ‘nee’ tegen de Grondwet, maar een uitdrukking van
de balorigheid van de burgers ten aanzien van de politici, die
verweten worden niet naar hen te luisteren. In Nederland ligt de ‘nee’ in
het verlengde van de Pim Fortuyn-rage en in Frankrijk van de tweede
ronde van de presidentsverkiezingen waar plots Jean-Marie Le Pen
de tweede hoogste score behaalde. Sommigen spreken van de kloof
tussen de burger en Europa, maar de eerste kloof bevindt zich binnen
de nationale samenlevingen.
De nationale verantwoordelijken weten dat heel wat problemen de
mogelijkheden van een nationale aanpak overschrijden. Ze weten
dat de meest aangewezen aanpak die is van een supranationale Unie.
Geen superstaat, maar een samenwerkingsverband waarin men de zaken
die het nationale overstijgen Europees aanpakt. Zij weten dat op
die domeinen de reële soevereiniteit een gedeelde Europese
soevereiniteit is. Maar, ze slagen er niet in deze boodschap over
te brengen. Ook omdat ze bij moeilijke hervormingen Europa als
boeman aanwijzen, daardoor de indruk wekkend dat zónder
Europa deze hervormingen overbodig zouden zijn, quod non. Integendeel.
Europa helpt noodzakelijke hervormingen door te voeren, maar door
de nationale boodschap wordt dit ánders gepercipieerd.
Het resultaat van dit alles is dat men massaal ‘nee’ gestemd
heeft in Frankrijk en Nederland, dat het risico op een ‘nee’ bestaat
bij elk referendum. Zelfs bij een referendum in België zou
dit risico reëel geweest zijn, vooral na het klungelen van
de regering-Verhofstadt in de laatste maanden.
EVEN TIJD VOOR REFLECTIE
Wat nu? Want het ‘nee’ biedt geen enkel alternatief.
Het is niet eens zeker dat het een verwerping van de Grondwet is,
want in vele gevallen werd op die vraag niet geantwoord. Wel op
vragen die niet gesteld waren. De leiders van de betrokken landen
zijn totaal gedestabiliseerd, hebben geen enkel houvast bij komende
Europese onderhandelingen. Maar ook in de lidstaten waar men ‘ja’ heeft
gestemd, weet men niet meer waar men aan toe is. Sommige dromen
ervan vooruit te gaan met een avant garde. Maar daar werd juist
gerekend op de kernlanden, de stichtende landen, en uitgerekend
twee daarvan hebben ‘nee’ gestemd en zijn het Europese
noorden kwijt. Niemand heeft een pasklare oplossing, maar de problemen
en uitdagingen blíjven. De vragen van de Verklaring van
Laken vragen om een antwoord want zij zijn de reële vragen
waarmee Europa geconfronteerd wordt.
Laten we dus een reflectietijd inbouwen. Een beperkte tijdspanne,
een jaar, anderhalf jaar. Want de wereld blijft ondertussen niet
stilstaan. En laten we er ondertussen over waken dat de instellingen
blijven functioneren. Want we hebben Europa nodig.
Jean-Luc Dehaene
|