Bureau Europees Parlement

Europees Parlement

ASP 8F356

Wiertzstraat 60

1047 Brussel

Tel: 02 284 58 67

jldehaene@europarl.eu.int

In het Europees Parlement wordt Jean-Luc Dehaene bijgestaan door Marilyn Neven en Tine Meyfroodt.

 
 

 

Grondwet terug


Was ons werk van de Europese Conventie de moeite waard?

 

Hebben we in de Europese Conventie onze tijd verloren? Ogenschijnlijk wel. Frankrijk en Nederland hebben bij referendum het ontwerp Grondwettelijk Verdrag dat door de Conventie was uitgewerkt verworpen. En niettegenstaande meer dan de helft van de lidstaten, die ook meer dan de helft van de bevolking vertegenwoordigen, het Verdrag hebben geratificeerd, lijkt de kans klein dat het Verdrag ooit in zijn huidige vorm in voege treedt. De Conventie schijnt dus een maat voor niets te zijn geweest. Maar is dat ook zo? Persoonlijk ben ik overtuigd van het tegendeel. Op een of andere manier zal men inhoudelijk altijd terugvallen op de voorstellen van de Conventie, ook al kan de vorm waarin deze uiteindelijk gegoten worden verschillend zijn.

Vooreerst blijven de uitdagingen, waarop de EU Conventie probeerde een antwoord te formuleren, levensgroot bestaan. Elke dag wordt duidelijker dat de instellingen en beslissingsprocedures zoals ze voorzien zijn in de huidige verdragen niet langer werkzaam zijn in een Unie met 27 (en morgen nog meer) lidstaten. Daarenboven klinkt de roep naar meer vereenvoudiging, naar meer transparantie en naar meer democratie luider dan ooit. En bovenal wordt greep van de globalisering steeds meer voelbaar en verwacht de burger een afdoend antwoord dat alleen van Europa kan komen. Deze uitdagingen werden destijds uitstekend geformuleerd in de vragen van de verklaring van Laken, dwz in de opdracht van de EU Conventie.

Zonder dat ze expliciet geformuleerd werden, waren deze vragen al aan de orde tijdens de Intergouvernementele Conferentie van Nice. Het antwoord bleef echter uit waardoor Nice vrij algemeen als een mislukking werd beschouwd. Dit falen, was de onmiddellijke aanleiding voor de oprichting van de Conventie. Men was er zich immers van bewust dat met de uitbreiding naar Centraal Europa de Unie grondig zou veranderen. Het zou niet langer dezelfde Unie zijn. Daarom ook sprak voormalig commissievoorzitter Jacques Delors over 'la nécessité d'une refondation de l'Europe'. Met de oprichting van de Conventie deed de Europese Raad een uitbraak poging om uit de impasse te geraken door nieuwe paden te bewandelen.

Waarom de Conventie slaagde waar de IGC faalde? Om verschillende redenen. Ten eerste omwille van zijn samenstelling: politici ipv diplomaten; niet alleen de regeringen van de lidstaten maar ook de parlementen en een volwaardige deelname van vertegenwoordigers van de Europese Instellingen, meer bepaald het EP en de Commissie. Ten tweede omwille van de openbaarheid van het debat in contrast met de geheime diplomatie van de IGC. Ten derde en vooral omwille van het momentum:   de Conventie kwam bijeen op de vooravond van de Uitbreiding (en dus van hereniging van Europa). De toekomstige lidstaten werd uitgenodigd als volwaardige leden van de Conventie. De Conventie was derhalve de eerste instelling van het nieuwe verenigde Europa. Alle 'Conventionels' (om de terminologie van Voorzitter Giscard D'Estaing te gebruiken) waren zich terdege bewust van dit historische moment. Zij konden de voorwaarden creëren voor een goede start van het nieuwe Europa. Daarom beslisten ze te streven naar een consensus en hun besluiten de vorm te geven van een 'constitutieve' tekst voor het herenigde Europa. Dit gaf de maximale garantie dat de IGC, die op de Conventie zou volgen, de conclusies van de Conventie niet naast zich kon neerleggen. Dit is achteraf gezien een juiste inschatting geweest.

Juist omdat naar consensus werd gestreefd, is het Grondwettelijke Verdrag een compromis. Het lost derhalve niet alle vragen en alle problemen op. Het schept echter wel een voldoende institutioneel kader van waaruit het nieuwe Europa de uitdagingen van de 21ste eeuw kan opvangen. We moeten er ons inderdaad van bewust zijn de uitbreiding na het einde van de koude oorlog de Europese Unie niet alleen een kwantitatief maar ook een kwalitatief een nieuwe dimensie heeft gegeven. Het is niet meer hetzelfde Europa. Daarom moet het zich ook anders organiseren. Daarenboven is de wereldcontext waarin dat nieuwe Europa zich moet positioneren na het einde van koude oorlog, grondig gewijzigd. In de naoorlogse context was de prioriteit de relaties tussen de Europese naties te structureren om hun tegenstellingen te overbruggen en de basis te legen voor vrede en stabiliteit. In de context van globalisering, die na het einde van de koude oorlog, tot stand kwam gaat het om de plaats en rol van Europa in de wereld. Tot het beantwoorden van  beide uitdagingen - reorganiseren en positioneren - geeft het Grondwettelijk Verdrag een aanloop. Heel summier samen gevat zijn de prioriteiten van de reorganisatie zoals vooropgezet in het Grondwettelijke Verdrag: vereenvoudigde en volwaardige wetgevende procedure met volwaardige rol voor het Parlement, veralgemeende meerderheidsbesluitvorming in raad (nog niet volledig gerealiseerd), stabieler raadsvoorzitterschap en kleinere Commissie. In het licht van de globalisering stelt het Verdrag een versterking van de politieke dimensie van de Unie voorop. Dit vereist dat stapsgewijze de communautaire methode wordt toegepast op het gebied van Justitie en Binnenlandse Veiligheid (derde peiler) en uiteindelijk ook betreffende Gemeenschappelijk Buitenlands en Defensiebeleid (ook al zal de weg daar langer zijn).

Over de noodzaak van deze hervormingen zijn de politieke verantwoordelijken en de sociaal-economische verantwoordelijken het eens. Zij verdedigen het Grondwettelijke Verdrag als een belangrijke stap vooruit voor de Unie in het licht van de uitdagingen van de 21ste eeuw. Zij onderschrijven dus het resultaat van het werk van de Conventie. Waarom het dan misliep? Vooreerst omdat het politiek fout is over een zo complex verdrag een referendum te organiseren als er geen grondwettelijke verplichting is (wat o.m. het geval is in Frankrijk, Nederland en Groot-Brittannië) Dit is typisch Parlementair werk (1). Vervolgens omdat je een goede campagne moet organiseren als je een referendum plant, wat noch in Frankrijk noch in Nederland het geval was (2).

Maar toch hebben de referenda ons iets geleerd, vooral in Frankrijk. Het is vooreerst opvallend dat de uitbouw van de politieke dimensie van de Europese Unie er nauwelijks aan bod kwam. Nochtans tonen de statistieken van Eurostat duidelijk aan dat de burgers vragende partij zijn omdat zij beseffen dat de uitdagingen van de globalisering enkel op Europees vlak kunnen worden beantwoord.. De discussie was echter eenzijdig toegespitst op het economische, waarbij de tegenstanders populistisch inspeelden op de angst van de bevolking voor de snelle veranderingen in het zog van de globalisering. Het zo geroemde Europese sociale model zou bedreigd zijn. De uitbreiding wordt ook als bedreigend geduid want bron van migratie en delocalisatie. Zo gezien vertoont de uitbreiding dezelfde zichtbare kenmerken als de globalisering. Vandaar is het maar een stap om de Unie als een katalysator en versneller van de globalisering en dus als bedreigend te bestempelen, een stap die mensen zoals Fabíus in Frankrijk ongegeneerd gezet hebben.

De werkelijkheid is dat de uitbreiding en de versterking van de Europese integratie op termijn het enige structurele antwoord is op de uitdaging van de globalisering. Om lid te worden van de Unie hebben de nieuwe lidstaten de spelregels van de Unie (het communautaire acquis) moeten aanvaarden. Binnen de Unie is iedereen onderworpen aan dezelfde spelregels. De structurele steun van de Unie zet de nieuwe leden op een groeipad van versnelde economische ontwikkeling. Als gevolg hiervan verminderen de verschillen en wordt de interne cohesie van de Unie groter. Maar dit is geen eenzijdige operatie ten voordele van de nieuwe lidstaten. Alle Commissierapporten wijzen op een win-win situatie wat o.m. blijkt uit de positieve handelsbalansen ten voordele van het Westen. Alleen: de tewerkstelling die tot stand komt dankzij een verhoogde uitvoer naar de nieuwe lidstaten ‘ziet’ de burger niet; het marginale verschijnsel van delocalisatie en migratie is daarentegen zeer zichtbaar en wordt door de media sterk uitvergroot. De werkelijkheid is dat indien men de wereld zou kunnen organiseren op het model van de Unie de uitdaging van de globalisering op termijn zou opgevangen zijn!! Maar dat is natuurlijk wishful thinking en utopisch.

Er gaapt dus een kloof tussen de (korte termijn) angst van een belangrijk deel van de publieke opinie, dat huivert voor de onzekere toekomst en de Europese proactieve aanpak op lange termijn. De eerste opteert voor de terugplooi op zich zelf, voor de nationale of zelfs regionale egelstelling; de andere speel structureel op de uitdaging door Europa verder uit te bouwen tot een global actor. Dit staat in schril contrast met de naoorlogse jaren toen het Europese integratie project ook door de bevolking werd gedragen en ervaren als een structureel antwoord op de steeds dreigende nationale belangen conflicten. Alles moet dus in het werk gesteld worden om de burgers een beter in zicht te geven in de uitdagingen van de geglobaliseerde wereld waarop alleen een sterk Europa een antwoord kan geven.

Het is ondertussen de verantwoordelijkheid van de politieke leiders in Europa om leiding te geven. Zij moeten een uitweg vinden uit de impasse waarin Europa is verstrikt geraakt. Zij hebben in een IGC het ontwerp Grondwettelijk Verdrag goedgekeurd. Zij waren dus allen overtuigd dat dit Verdrag de basis legde die de EU moet toelaten de uitdagingen van de 21ste eeuw op te vangen. Achttien lidstaten hebben het Verdrag geratificeerd. De Europese Raad kan daarom moeilijk het ontwerp Grondwettelijk Verdrag naast zich neerleggen en van vooraf aan herbeginnen. Het lijkt daarom aangewezen dat hiervan vertrekken. De naam van de baby doet er niet toe maar de Unie heeft nood aan een nieuw basisverdrag. De vraag is hoe dat Verdrag inhoudelijk (de vorm is van ondergeschikt belang) het essentiële van het ontwerp Grondwettelijk Verdrag kan behouden (er staan immers in het Grondwettelijke Verdrag o.m. in het derde deel minder essentiële zaken) op een manier die de nieuw verkozen verantwoordelijken van Frankrijk en Nederland toelaten het nieuwe voorstel (liefst zonder referendum) te ratificeren. Hopelijk vindt het Duitse voorzitterschap hiervoor een uitweg.

Mijn overtuiging blijft dus dat de weg die de Conventie heeft aangewezen de referentieweg zal blijken te zijn en dat we derhalve niet voor niets hebben gewerkt

 

(1) Wat wel zinvol ware geweest is een referendum over het principe van de uitbreiding vooraleer men aan de onderhandelingen begon.. Dat is een belangrijk principiële vraag.Ik ben trouwens overtuigd dat het antwoord hierop massaal Ja zou zijn geweest.

(2) In Nederland werd het referendum beslist door het parlement tegen de zin van de regering. In een eerste fase hield de regering zich daarom afzijdig. Het kalf was al verdronken toen haar campagne eindelijk op gang kwam.
© 2006 Design & Development by 4xl.be

 

 

 

 

 

 

 

www.epp-eu.org www.epp-ed.org